Duidelijkheid over allocatiefunctie


De Hoge Raad doet in september uitspraak in een geschil tussen detacheringsbureau voor zorgprofessionals Care4Care en Stichting Pensioenfonds voor Personeelsdiensten (STiPP). Inzet is de vraag of Care4Care verplicht is pensioenafdrachten te doen aan STiPP.


 

DE SITUATIE

Hoge Raad beslist

STiPP en Care4Care stonden eerder tegenover elkaar bij de kantonrechter. Die ging mee in de argumentatie van Care4Care dat het detacheringsbureau geen allocatiefunctie heeft en dat de door Care4Care aangegane arbeidsovereenkomsten niet te kwalificeren zijn als een uitzendovereenkomst (art. 7:690BW), en ze daardoor dus niet onder de werkingssfeer van Stipp zouden vallen.
In hoger beroep oordeelde het Hof echter dat een allocatiefunctie geen vereiste is voor de toepassing van de uitzendovereenkomst en dat de arbeidsovereenkomsten wél te kwalificeren zijn als een uitzendovereenkomst. Dit betekent dat Care4Care onder de verplichte pensioenregeling STiPP valt.
Tegen deze uitspraak ging Care4Care in beroep, zodat de Hoge Raad het laatste woord krijgt. Vooruitlopend hierop heeft advocaat-generaal Van Peursem de Hoge Raad geadviseerd hoe te beslissen in deze zaak. De Hoge Raad is niet verplicht dit advies op te volgen, maar in de praktijk weegt de mening van de advocaat-generaal wel zwaar.

Advocaat-generaal

Twee varianten allocatiefunctie

De advocaat-generaal gaat uitgebreid in op het begrip ‘allocatiefunctie’. Hij onderscheidt twee varianten:

• De ‘klassieke’ allocatiefunctie. Hierbij gaat het om het actief samenbrengen van vraag en aanbod om te voorzien in een tijdelijke behoefte aan arbeid (‘piek en ziek’).

• De ruime allocatiefunctie. Dit is wanneer de werkgever bedrijfs- of beroepsmatig werknemers ter beschikking stelt aan opdrachtgevers.
Volgens de advocaat-generaal is er geen klassieke allocatiefunctie noodzakelijk om een uitzendovereenkomst toe te passen, maar moet er wel sprake zijn van de ruime allocatiefunctie. Volgens deze redenering zou Care4Care onder artikel 7:690 BW vallen en dus ook onder de verplichtstelling van STiPP.

De advocaat-generaal merkt wel op dat de meest vergaande vorm van payrolling wellicht wél buiten de uitzendovereenkomst valt. Hij bedoelt daarmee de variant waarbij de payroller in feite alle ‘personeelssores’ overneemt van de ‘inlener’. De payrollwerkgever speelt dan geen enkele rol bij het bij elkaar brengen van vraag en aanbod op de arbeidsmarkt, maar slechts bij de formele en administratieve uitvoering van de overeenkomsten.
Als de Hoge Raad deze gedachtegang volgt, kan dat grote gevolgen hebben voor deze ‘pure’ payrollbedrijven. Zij zijn dan geen uitzendwerkgever meer en kunnen daarom ook niet meer profiteren van de voordelen van de uitzend-cao: dus ze kunnen dan geen verruimde ketenregeling en uitzendbeding toepassen.

De NBBU

Meer duidelijkheid

Jurist Cor de Koeijer: “Het is afwachten of de Hoge Raad de redenering van de advocaat-generaal volgt. We krijgen nu in elk geval wel meer duidelijkheid over de allocatiefunctie en of het hebben van een allocatiefunctie een vereiste is voor de uitzendovereenkomst. Het is een uitspraak waar de uitzendbranche reikhalzend naar uitkijkt. Wij hopen dat de Hoge Raad een uitspraak doet die rekening houdt met de ontwikkelingen op de arbeidsmarkt en de verschillende (duurzame) flexvormen. We brengen bij de NBBU de mogelijke scenario’s al in kaart.”

De Hoge Raad doet op 23 september 2016
uitspraak in deze zaak.

Cor de Koeijer

Jurist

‘De NBBU brengt
alle mogelijke
scenario’s
al in kaart’

 

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *